The Quincy Club
A Younger Perspective: The Quincy Club is part of our ongoing effort to help young audiences better understand American culture. The Club's activities take students into an interactive new learning environment through American history, literature and art.
The Quincy club 2011 For more information, please contact: quincyclub@john-adams.nl
Wat Nederland kan leren van het belangrijkste immigratieland ter wereld
Iedereen kent Amerika als het immigratieland bij uitstek. Vooral tussen 1815, het einde van de Napoleontische oorlogen, en 1924, toen een nogal strikte immigratiebeperking werd afgekondigd, immigreerden tientallen miljoenen mensen naar Amerika. Sinds 1965 is dat opnieuw het geval. Immigranten kwamen en komen uit heel verschillende landen, culturen en geloven. Ze spraken zelden Engels en waren meestal ongeschoold en vaak analfabetisch. Toch maakten deze heel verschillende mensen in grote lijnen dezelfde ontwikkeling door.
Dat is al te zien in de eerste periode van massa immigratie, ruwweg lopend tot 1882. Toen Europa weer rustig werd, na 1815, nam de bevolkingsdruk enorm toe. Jongemannen konden geen werk vinden, door verbeterde gezondheidsomstandigheden groeide het aantal overlevende kinderen en de economie leed onder de nu ongebreidelde concurrentie van het geïndustrialiseerde Engeland. Op veel plaatsen in Midden Europa heerste armoede, werkloosheid en soms zelfs hongersnood.
Alleen al uit het gebied van het huidige Duitsland trokken tussen 1815 en 1924 al bijna zeven miljoen mensen naar Amerika. Eenmaal in Amerika deden Duitsers wat alle immigranten doen: ze gingen bij elkaar wonen, spraken Duits en lazen Duitstalige kranten en probeerden hun Europese manier van leven te hercreëren. Het is een mythe dat immigranten naar Amerika kwamen om Amerikaan te worden. Dat werden ze wel, maar hun doel was een beter leven en dan liefst zonder de oude cultuur op te geven.
Overal in de Verenigde Staten had je dan ook Duitse enclaves. In grote steden als Cincinnati, Cleveland en Buffalo werd Duits gesproken. Het is een proces dat elke immigrantengroep doormaakt. De Duitsers zijn echter een mooi voorbeeld omdat ze uiteindelijk keurig integreerden, Amerikaan werden. Tegelijkertijd veranderden ze Amerika nogal fundamenteel. Ze brachten bier en Gemütlichkeit, theater en muziek, in het algemeen een lichtere toets in het nogal saaie dagelijkse leven in protestants Amerika. Assimilatie werkt twee kanten op.
Een deel van de Duitsers was katholiek, maar geloof werd pas echt een belangrijk onderwerp toen miljoenen Ieren overstaken. Ook zij hadden goede redenen te vertrekken: Engelse onderdrukking en vanaf 1848 hongersnood vanwege de aardappelrot. Miljoenen Ieren stierven, miljoenen vertrokken. Anders dan de Duitsers bleven de Ieren hangen in de grote steden. Slechte gezondheid, gebrek aan vaardigheden en bij de mannen alcoholisme veroordeelden deze immigrantengezinnen tot grote armoede. Natuurlijk gingen ze bij elkaar zitten; Boston kent nu nog Ierse wijken. In New York namen Ieren de sloppenwijken over van zwarte Amerikanen. Omdat ze met zwarten concurreerden voor woningen, werk en voorzieningen kwam het tussen beide groepen nooit meer goed, wat nog werd versterkt doordat blanke Amerikanen de Ieren graag afschilderden als inferieur volk, een soort blanke negers. Nieuwkomers worden vaak gekoppeld met de al aanwezige laagst gewaardeerde groepen, het zou ook Italianen (‘darkies’) overkomen en ook nu nog spreken termen als ‘zwarte’ en ‘witte’ scholen over etniciteit in raciale termen.
De manier waarop een intens protestants land als Amerika reageerde op deze ‘invasie’ van katholieken klinkt verrassend bekend. Amerikanen waren individualistisch, kozen hun eigen predikanten en kerken en ze lazen de St. James bijbel. Ondanks de scheiding van kerk en staat werd hun manier van leven als intens protestants ervaren en Amerika was op die manier ingericht. Katholieken waren collectivistisch, erger nog, ze luisterden naar een niet wereldlijke autoriteit, de paus in Rome. Ze brachten priesters mee, eigen onderwijs en hun dagelijks leven was verknoopt met de katholieke kerk. Een protestbeweging kwam op gang tegen deze bedreiging van alles waar Amerika voor stond: een anti-immigratie, anti-katholieke partij, bekend als de Know Nothings vanwege hun geheimzinnigheid, won behoorlijk wat steun tussen 1850 en 1860. Zoals alle one issue partijen duurde het niet lang, maar hun onversneden afkeer van een ander, als bedreigend ervaren geloof klinkt verbazend tijdloos.
Ook Nederlanders immigreerden vanaf 1840 in flinke aantallen. Hun drijfveren waren dezelfde als voor andere immigranten: ontsnappen aan een stagnerende samenleving, geloofsproblemen, economische ellende – ook in Nederland sloeg de aardappelrot toe. Natuurlijk gingen ook de Nederlanders allemaal bij elkaar zitten, vooral in het Midden Westen, rond Lake Michigan en in Iowa. Vanwege hun geloof bleken ze geslotener en bleven ze meer en langer Nederlands dan andere immigrantengroepen.
De vierde groep in deze eerste immigratiegolf zijn de Chinezen. Zij kwamen vanaf 1849 naar Amerika, toen aan de westkust goud was gevonden. Het waren meestal mannen die hun gezin in China achterlieten en probeerden rijk te worden in de goudmijnen. Later werkten veel Chinezen aan de spoorwegen. Na de burgeroorlog en na de aanleg van de spoorwegen, kwamen de Chinezen terecht in de grote steden aan de westkust waar ze aanliepen tegen rassendiscriminatie. Vanwege hun gesloten aard en hun harde werken én hun ras wekten ze de afkeer op van andere etnische groepen. Toen de economie in een crisis raakte, werden de Chinezen de favoriete zondebok. In de onvermijdelijk volgende golf van immigrantenafkeer besloot het Amerikaanse congres in 1882 tot de Chinese Exclusion Act, de eerste inbreuk op het principe dat iedereen naar Amerika kon komen.
De immigratie uit Europa ging gewoon door, waarbij de ‘push factor’ geleidelijk aan opschoof naar het oosten en zuiden. De grootste groep in deze tweede periode, van 1882 tot 1924, waren de Italianen, voornamelijk afkomstig uit het straatarme zuiden en Sicilië. Ze kwamen als gastarbeiders, op een contract van een jaar of vijf. Na terugkeer in Italië maakten ze meestal snel rechtsomkeert, voorzien van een echtgenote, om zich permanent in de Verenigde Staten te vestigen. De meeste van deze immigranten waren arm, slecht opgeleid en analfabetisch. In Italië zelf waren ze vooral regionaal bewust. Ze waren vaak ook antiklerikaal. De kerk in Rome deed niets voor hen en zij voelden niets voor die kerk.
In Amerika gingen ze, dat zal niet verbazen, bij elkaar zitten. New York kende wel veertien Little Italy’s waar verschillende dialecten werden gesproken. Het mag een Hollywood product zijn, maar Copolla’s film The Godfather II geeft een heel mooi beeld van dat New York in de jaren tussen 1910 en 1920. Bijna zes miljoen Italianen vonden de weg naar Amerika. Eenmaal daar vertoonden ze een patroon dat we honderd jaar later gemakkelijk herkennen. De tweede generatie, geboren in Amerika, sprak thuis Italiaans maar peinsde er niet over om nog ooit ‘terug’ te gaan, ook al hadden hun ouders het daar steeds over. Ze probeerden hun plek te vinden in de Amerikaanse samenleving, met meer of minder moeite, vaak het slachtoffer van discriminatie. Verrassend genoeg bleken de antiklerikale Sicilianen in Amerika geloviger dan ze in Italië geweest waren, een gevolg van gezinsdruk, identiteitsbeleving en groepsidentiteit. Ook bleek hun ‘Italiaans zijn’, in elk geval naar buiten toe, veel sterker dan tevoren. Sociologen zeggen wel dat de Italianen pas Italiaan werden in Amerika. De scholen in New York hadden problemen met Italiaanse jeugd, vooral de jongens. Er waren Italiaanse bendes, die knokten met Ieren, Duitsers, joden en andere etnische jongeren. Het duurde drie, vier generaties voordat de Italianen goed geïntegreerd waren.
Deze inmiddels herkenbare patronen vertoonden ook de Russische joden. Zo’n drie miljoen joden uit Polen en Rusland ontvluchtten vanaf 1890 de pogroms en discriminatie in Oost Europa. Ook zij waren straatarm, analfabetisch en groepsgericht en ze kwamen terecht aan de onderkant van de samenleving in de grote steden. Ze werden met de nek aangekeken door de eerder geëmigreerde Duitse joden in de financiële wereld, die Hebreeuws spaken. Deze joden spraken Jiddisch en waren plattelandslieden. Anders dan de Italianen hadden ze natuurlijk niet de ambitie om terug te gaan en ze kwamen meestal met het hele gezin tegelijk. Tot diep in de jaren zestig van de twintigste eeuw was Amerika anti-joods.
De massale immigratie veroorzaakte haast automatisch een politieke weerslag. Mede als gevolg van de Eerste Wereldoorlog, die leidde tot een anti-Duitse maar ook anti-Europese stemming, werd de wetgeving geleidelijk aan verscherpt tot in 1924 een zo goed als volledige immigratiestop tot stand kwam.
Het proces dat volgde is mooi beschreven door sociologen, in die jaren een beginnende wetenschap. Inderdaad bleken de al aanwezige immigranten sneller te integreren zonder nieuwkomers. Die integratie ging volgens bekend patroon. De tweede generatie nam afstand van de ouders, al of niet met conflicten. De derde generatie sprak de taal al veel minder, was nadrukkelijk Amerikaans en begon voorzichtig buiten de groep te trouwen. Dit laatste proces, intermarriage, duurde het langst. Wie de boeken leest over tweede generatie Italianen in Boston in de jaren dertig en veertig krijgt een vreemde ‘aha-Erlebnis’: het zou zomaar over Nederlandse Marokkanen in Amsterdam kunnen gaan.
Terwijl de meeste immigrantenkinderen hun Amerikaan zijn benadrukten, maakte etniciteit in de jaren zestig een comeback. Mede als gevolg van de burgerrechtenbeweging en zwart chauvinisme, gingen ook etnische groepen hun achtergrond weer benadrukken. St. Patricks Day voor de Ieren, Columbus Day voor de Italianen dateren uit deze jaren. De streepjes Amerikaan is heel gewoon in de Verenigde Staten. Je identiteit is gelaagd. Je bent niet alleen Amerikaan en Californiër maar ook Chinees, Italiaans of Iers, ook als dat al zes of zeven generaties ver ligt in de familiestamboom. Sociologen noemen dit symbolische etniciteit. Het is geen teken van gebrekkig nationaal bewustzijn, integendeel, maar van een vaststelling dat samenlevingen per definitie multicultureel zijn.
In 1965 begint de derde immigratiegolf, als nieuwe wetgeving de grens weer opent. Anders dan de politici verwachtten en hoopten, kwamen nu vooral Aziaten en Latino’s. Door onbedoelde kettingmigratie konden familieleden overkomen en als gevolg van de oorlogen in Zuidoost Azië nam Amerika miljoenen Koreanen en Vietnamezen op – zij het niet zonder pogingen om hen buiten de deur te houden. Zo kwamen weer nieuwe culturen, geloven en achtergronden binnen, met als resultaat bijvoorbeeld dat in de staat Californië, Amerika’s meest bevolkte, geen enkele groep meer een meerderheid heeft. Caucasians, zoals blanke Amerikanen raciaal genoemd worden, vormen minder dan vijftig procent van de samenleving. Dat ze acht jaar lang geleid werden door Arnold Schwarzenegger, een self made immigrant uit Oostenrijk, die voorzien van twee paspoorten en een dik accent het multiculturele aspect van Amerika belichaamde, laat zien dat Californië de ultieme multiculturele samenleving is.
Het zal niet verrassen dat deze nieuwe immigranten zich net zo gedragen als hun voorgangers. Chinezen en Koreanen, Vietnamezen en Indiërs, Mexicanen en Brazilianen: allemaal hebben ze hun eigen etnische wijken, met aangepaste winkels en voorzieningen. Ze zijn tweetalig, ze hebben hun eigen bendes, ze hebben tweede generatie problemen van lastige jongeren, conflicten met ouders en grootouders. Maar ze vinden over het algemeen snel hun plek.
Deze geschiedenis overziend overziend blijken een paar kenmerken op te gaan voor álle immigranten, ongeacht hun ras, geloof of herkomst. Om te beginnen doet de tweede generatie het altijd beter dan de immigranten zelf. De ouders kwamen voor een beter leven, hun kinderen en meestal ook kleinkinderen, profiteren ervan. De tweede generatie blijft niet in de etnische wijken: ze gaan beter verdienen, verhuizen naar voorsteden, mengen en trouwen buiten hun groep. Ze beginnen vaak eigen bedrijfjes, van de Duitse boerderijen tot de Italiaanse restaurants en kappers, tot Aziatische computerspecialisten, eerst in hun eigen gemeenschap, na verloop van tijd daarbuiten. Vrouwen blijken sneller gebruik te maken van de mogelijkheden die ze krijgen dan mannen. En ja, er zijn jongerenproblemen. Bendes, gewelddadige bendes, zijn een serieus probleem in Amerika.
De vraag is in hoeverre deze ervaring van immigranten ook opgaat voor de immigranten naar Europa, naar Nederland. Waarom zouden deze diep menselijke, sociologische processen bij ons anders gaan? Ik heb na een historisch verslag van deze Amerikaanse ontwikkelingen, in mijn boek The American Way, gekeken hoe dat in Nederland daadwerkelijk verloopt. De conclusie was verrassend. Het gaat wel degelijk anders in Nederland. Onze integratie gaat veel sneller. Het vergt een andere artikel om precies de feiten van de Nederlandse integratie neer te zetten, maar ik kan wel stellen dat onze allochtonen, dat wil zeggen de immigranten en hun kinderen en kleinkinderen, sneller hun plek vinden dan in traditionele immigratiesamenlevingen als Amerika, Canada en Australië. De tweede generatie integreert razend snel.
De sociale mobiliteit in Nederland is veel groter dan die in de Verenigde Staten, ondanks de mythe van de Amerikaanse droom. Dat komt door onze inclusieve samenleving die misschien minder harde stimulansen biedt dan Amerika maar veel meer echte kansen. In Nederland kennen we goedkoop en toegankelijk onderwijs en allochtonen maken er goed gebruik van. Onze huizenvoorraad is aanmerkelijk beter dan die in andere immigratielanden. Onze gezondheidszorg is toegankelijk. Natuurlijk zijn er problemen. Allicht. Zoals de Amerikaanse ervaring laat zien (en trouwens ook onze eigen vergeten ervaring met immigranten in de zeventiende eeuw, plus onze verzuilingsproblematiek) kun je niet verwachten dat grote groepen nieuwkomers zomaar hun plek vinden. Maar wie veertig jaar geleden had durven te voorspellen hoe het er nu, anno 2011, voorstaat met de integratie in Nederland, zou als een onrealistische optimist zijn weggezet. Het gaat veel beter dan we denken en het Amerikaanse historisch verhaal geeft het juiste perspectief om onze eigen ervaring aan te toetsen.
Frans Verhagen is publicist en hoofdredacteur van America.nl , waar hij ook een dagelijks blog bijhoudt. Hij geeft lezingen en lessen over immigratie en integratie en over Amerikaanse geschiedenis. Zijn meest recente boek is Hoezo mislukt? De nuchtere feiten over de integratie in Nederland (2010).
Kader (?):
De afgelopen jaren heb ik deze spannende geschiedenis van de Amerikaanse ervaringen meer dan tweehonderd keer gepresenteerd aan leerlingen van de hoogste klassen van het VWO en HAVO, en soms ook aan ROC’s en andere onderwijsinstellingen. Het blijkt een herkenbaar verhaal: leerlingen pikken al snel op waar Duitsers, Ieren, Nederlanders en Mexicanen gelijksoortige ervaringen hadden als wij hebben met Marokkanen en Turken. Allochtone leerlingen glimlachen begrijpend als ze horen waar Amerikaanse immigranten mee te maken hadden. Het vormt de basis om in het tweede lesuur – ik neem meestal twee lesuren – een geanimeerde discussie te voeren over de vraag hoe het nu eigenlijk gaat met de integratie in Nederland. De doelstelling van deze hele exercitie is om de scholieren te laten nadenken over hun meningen over verscheidene onderwerpen en ze en passant het nodige feitenmateriaal mee te geven om in discussies hun mening te kunnen vormen. Het grote historische verhaal van Amerika biedt zo een mooie achtergrond om te praten over het Nederland van nu. Geschiedenis waar je wat aan hebt, daar kicken scholieren wel op.
Voor meer informatie over de lezingen, zie www.amerika.nl
Verder lezen
The American Way. Wat Nederland kan leren van het meest succesvolle immigratieland door Frans Verhagen, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2006.
Hoezo mislukt? De nuchtere feiten over de integratie in Nederland door Frans Verhagen, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2010.
Onze Marokkanen lijken op de Italianen in de VS, te vinden op amerika.nl/cms/integratie waar ook een groot aantal andere artikelen en beschouwingen over integratie staan.
On line staat ook het Rapport Blok van de Parlementaire Commissie die integratie onderzocht en in 2004 grofweg tot gelijksoortige optimistische conclusies kwam – die hun collega politici onmiddellijk verwierpen.
Cijfers zijn te vinden bij het CBS en het SCP die om en om jaarlijks een integratiemonitor publiceren.
Voor een ander, minder optimistisch beeld: Het land van Aankomst door Paul Scheffer, Bezige Bij, 2007.
![]()
