WAAROM WE MOETEN STOPPEN MET HET ORGANISEREN VAN VERKIEZINGSDEBATTEN

By Joël Serphos

Op 6 februari arriveerde ik met de BKB-academie in de Verenigde Staten. We hadden het toetje nog nauwelijks verteerd, of we werden al in de verkiezingsgekte meegesleurd omdat het grote GOP-televisiedebat in New Hampshire begon.

Wie teveel last van jetlag had om het debat te kunnen volgen, kon zich gelukkig laten informeren door de vele analyses die de volgende ochtend op het web en in de krant verschenen. Het grootste nieuws: Marco Rubio – vanaf dat moment ‘Robot Rubio’ – was erin geslaagd zichzelf een paar keer te herhalen. Ophef alom.

image

“All the press corps cares about is process”

Het bleek niet gemakkelijk een analyse te vinden waarin de presidentskandidaten werden beoordeeld op wat ze daadwerkelijk te melden hadden, of hoe hun opmerkingen zich verhielden tot hun eerder ingenomen standpunten. ‘Pundits’ schrijven liever over hoe Clinton verbitterd kijkt, Kasich stottert of Rubio in de repetitiemodus zit. Of neem de duiding van Bob Woodward, een van de meest gezaghebbende journalisten van de VS: zijn commentaar op Hillary Clinton ging over haar ongemakkelijke communicatie, die volgens hem wees op een gebrek aan zelfacceptatie. Is dit het soort analyse dat we van onze journalisten verwachten?

“All the press corps cares about is process”, zei Politico-columnist Roger Simon hierover toen hij met ons sprak in Washington D.C. De pers schrijft liever over het spel en de prestaties van kandidaten, dan over wat ze van plan zijn als ze eenmaal aan de knoppen zitten. Mijn mede-academicus Thomas Smolders vatte het goed samen in zijn blog voor De Morgen“Amerikaanse presidentsverkiezingen verglijden steeds meer tot een politieke versie van The Hunger Games waarbij de vorm primeert op de inhoud.” Nick Bryant van de BBC vergeleek het eveneens treffend met een spel, hij noemt het “horse race journalism”, waarbij niet de geschiktheid voor het ambt centraal staat maar waarbij men vooral geïnteresseerd is in “who should stay on the island, rather than who should become the most powerful person on earth”.

May the best man win

Maar in zekere zin raakt het laatste deel van dat citaat precies de kern van waar het hier over gaat: wie moet straks de machtigste persoon ter wereld worden? Als dat inderdaad is waar deze verkiezing over zou moeten gaan, dan zullen we ons moeten afvragen of al die debatjes die vraag wel beantwoorden. Debatten scheppen namelijk geen enkele helderheid over wat een president zou moeten kunnen en of de kandidaten in kwestie daartoe in staat zijn. De machtigste man of vrouw ter wereld moet vooral behendig zijn in het bij elkaar brengen van partijen, oplossen van geschillen en het opereren onder grote druk. En dat geldt des te meer in een tijd waarin niet alleen Washington, maar ook de internationale gemeenschap, tot op het bot verdeeld is.

Wie daadwerkelijk geïnteresseerd is in het vinden van de meest geschikte kandidaat voor dit ambt doet er dan ook goed aan de overblijvers op een andere manier te testen. Vergeet die stomme vragen die zo makkelijk met een ingestudeerde oneliner kunnen worden beantwoord. Stuk voor stuk beproevingen die ons niet vertellen wie de beste leider van het machtigste land ter wereld zal zijn. Nee, stel de kandidaten liever bloot aan een crisissimulatie van een crisismanagementbureau. Sluit de kandidaten 24 uur op in een ruimte en laat ze Model United Nations spelen. Of Risk, als dat beter is voor de kijkcijfers (ik ben benieuwd wie zichzelf dan nog een geschikte commander-in-chief durft te noemen). Alle campagneslogans kunnen dan plaatsmaken voor een gezamenlijke, die elke cheesy campagneslogan overbodig maakt: may the best man win.